24 december 2010

Jeeeeeeeeeeezus, maak dat mee!

Eerder verschenen op Jutblogt

‘Jozef, ik wil een zure augurk’. Maria keek gebiedend naar haar man, die verveeld zuchtte.
‘Een echte augurk, niet van die ondermaatse zoetige dingetjes.’ voegde ze er aan toe.
Jozef bedacht dat hij blij zou zijn wanneer deze lijdensweg achter de rug was. Niet alleen om van het gezeur om quasi onverkrijgbare etenswaren vanaf te zijn, maar ook om de buikbewoner van zijn echtgenote te kunnen aanschouwen.

Niet uit vaderlijke trots, maar om te proberen vast te stellen of de roddels die hem ter ore gekomen waren, verzinsel dan wel waarheid zouden blijken. En wee Maria, indien de boreling geen enkele van zijn trekken zou blijken te hebben geërfd. Hij zou scheiden en het tweetal in nog grotere armoede achterlaten dan degene waar ze nu al in leefden. En dan zou hij de wereld intrekken en deze versteld laten staan van zijn capaciteiten. Dewelke dat waren, daar was hij nog niet helemaal uit maar er was vast iets dat hij beter kon dan meubels timmeren, want dat bracht niet veel zoden aan de dijk, om van geld in het laatje nog maar te zwijgen.

Maar goed, een augurk dus. ‘De dichtsbijzijnde plaats waar ik van weet dat ze die augurken verkopen is meer dan een dagreis hiervandaan, Maria. Weet je wel zeker dat je dat aankan, in jouw toestand?’ vroeg hij met een nauw verholen minachtend gebaar naar haar dikke buik.
‘Want je kan maar zien dat je met me meekomt en hem ter plekke opeet, je ziet van hier dat ik kilometers op een ezel ga tsjokken met een augurk in mijn hand.’ Zijn enige zadeltassen waren immers de week daarvoor gestolen, terwijl hij een glaasje thee dronk in de dorpsherberg.

‘Zo kom ik tenminste nog eens een keertje weg uit dit hol van pluto,’ snauwde Maria terwijl ze haar omslagdoek rond haar omvangrijke lijf knoopte en zich naar de ezel begaf.
Het tweetal ving de lange reis aan. Net voor Bethlehem voelde Jozef hoe de achterpanden van zijn tuniek, waar Maria tegenaanleunde, plots kletsnat werden. Maria kromp ineen van de pijn en Jozef riep uit : ‘Zeg dat het niet waar is hé, godbetert drie weken te vroeg!’. Maar helaas, het was wel waar : Maria was in barensnood.
Jozef gaf de ezel een paar fikse trappen en geschrokken draafde het beest door in een hogere versnelling. Af en toe slaakte Maria een gil van pijn wat Jozef telkens een ‘Maar zwijg toch, wijf, je baart opzien!’ ontlokte. Want inmiddels waren ze de stad genaderd. Bij de eerste de beste herberg sprong hij van de ezel en liep naar binnen om onderdak te vragen. Tevergeefs, alle kamers waren bezet. Er was blijkbaar een oproep geweest voor een volkstelling, waardoor iedereen met voorvaders uit Bethlehem zich naar daar moest begeven om zich bij de autoriteiten bekend te maken. Die mare was aan hem voorbijgegaan, ongetwijfeld had Maria ze ongelezen bij het oud papier gelegd, of misschien wel expres om er voor te zorgen dat hij gearresteerd zou worden, zodat zij nog lang en gelukkig met haar minnaar kon leven, bedacht hij woedend.

Bij de derde herberg waar ze bot vingen slaakte Maria een kreet die door merg en been ging, zodanig luid dat de geschrokken herbergier naar buiten gelopen kwam en hen verpozing in zijn stal aanbood.
En daar, tussen os, ezel en schaap, schonk Maria het leven aan een zoon. ‘Hij lijkt op je zus, ik zie er niks van mij in’ bromde Jozef en besloot ter plekke de kleine Jezus te noemen. Zijn kleine wraak.

Het nieuws van de geboorte in de stal deed vlug de ronde in de stad. En aangezien er niks anders te doen was, dan aan te schuiven in lange rijen bij de overheid, besloot menig mens een bezoekje te brengen aan het kind dat in een stal het levenslicht gezien had. Een van de nieuwsgierigen bracht Mirre als geboortegeschenk. ‘Stelpt de bloedingen en is goed tegen euhm..aambeien’ fluisterde gulle schenker in Maria’s oor. Een andere bracht wierook mee. ‘De stank van die beesten hier is niet te harden. Hier, brand dit, dat is aangenamer dan de lucht van mest voor een jonge moeder’. zei de tweede bezoeker, alvorens zich met toegeknepen neus uit de stal te haasten.
De derde bezoeker stootte in het halfduister zijn gezicht tegen de rand van de uit een fruitkist geïmproviseerde kribbe waarin Jezus lag, en verloor daarbij een gouden tand. Wat hij echter te laat merkte, alleszins niet voor dat Jozef hem van de stalvloer had weggegrist.

En dat was meteen ook het laatste wat Maria zag van haar man. Die verdween met het goud, de ezel en de noorderzon en liet haar achter met het kind.
‘Die groeit vast op voor galg en rad, een zwaar kruis om te dragen, zo’n begin van je leven’ roddelde de gemeenschap. De toekomst zou uitwijzen of ze gelijk hadden….

26 november 2010

Op een dag vind je de job van je leven

'Met Hein, afdeling Benelux'.
Hein graaide nog een calorie of 200 uit de zak chips en luisterde verveeld naar zijn correspondent.
'Wat? Weeral zoveel? God man, dit kan ik niet meer aan. Zoek eens een stagiair?' Hein drukte fanatiek op de knop van zijn splinternieuwe GSM waarvan hij vermoedde dat die zijn gesprekspartner in het ijle zou doen verdwijnen.
Prioriteiten, dacht hij. Eerst het avondmaal. Een pan vol chipolata en gebakken aardappels zou vast soelaas brengen. Een mens met een suikerdipje kan tenslotte niet nadenken.

Een uurtje later zat Hein voor zijn PC en bekeek mismoedig zijn mail. De Baas had natuurlijk de hele lijst doorgestuurd. 400 vandaag. Vierhonderd. Dat werd flink doorwerken.

Hein trok zijn jas aan. Het viel niet mee voor iemand van zijn postuur om een passende jas te vinden. Zijn moeder naaide dan ook al sinds zijn prilste jeugd brede overslagvesten, altijd iets op de groei. Gelukkig maar, want Hein bleef groeien. In de breedte dan toch. Hij trok de deur open en zag dat het regende. Ook dat nog. Hij trok zijn kap over zijn hoofd en begaf zich naar zijn eerste klant. Want zo moest hij het noemen van de baas. 'Klanten'.

Even later stond hij naast een 50-jarige verzekeringsmakelaar die bijzonder stevig in het vlees zat. Dit waren zijn minst favoriete bezoekjes. Hij ging liever naar demente bejaarden, maar dat had hij helaas niet te kiezen.

De man lag languit in een sofa, één hand krampachtig tegen de borst gedrukt. Zijn lippen zagen blauw en zijn ogen waren toegeknepen van de pijn. Toen hij Hein zag gingen ze echter wijd open.
"Dit is een droom, ik wist het..." kreunde hij. "Teveel gegeten, en dan die pousse-café nog.."
"Het spijt mij meneer, maar dit is geen droom," Hein keek meelevend naar het slachtoffer van een leven vol vet-en alcoholmisbruik en graaide in zijn rugzak. Waar wàs het nou? Hij rommelde tussen de brooddoos, de zak met brownies, de energiedrank - tenslotte zou het een lange werkdag worden - en de handige apart verpakte cakejes. Eindelijk vond hij waar hij naar op zoek was en trok het tussen zijn voorraad uit. Goedkeurend keek hij naar zijn splinternieuwe werktuig. Veel handiger, dit pocketformaat. Zijn vorige was bijna twee meter lang en dat diende tot niets anders dan uiterlijk vertoon. Deze werkte even goed en kon tenminste getransporteerd worden zonder telkens weer overal achter te blijven haken.

"Maar, dat kan niet, dat kan niet!" De doodzieke man schreeuwde het uit. "U weegt meer dan ik, wat zeg ik, drie keer zoveel, en uw naam...." Een nieuwe kramp in de hartstreek legde hem het zwijgen op.

Hein zette zich even neer op een nabijgelegen zetel, legde zijn gereedschap op de grond en zuchtte diep. Telkens weer hetzelfde. Bij iedere klant opnieuw. Misschien moest hij zijn uitleg eens op een pamfletje printen want het werd wel vervelend.
"Ziet u, Meneer De Vroede..." De klant keek ondanks zijn kwellende pijn verrast op bij het horen van zijn naam. Verrast, en dan geschokt. "U kent toch het begrip 'spotnaam'? Het is niet meer dan dat. Sinds mijn vroegste kindertijd was ik fors. Nou ja, om eerlijk te zijn: bijzonder fors. En dat was de bijnaam die ik kreeg, al sinds de kleuterschool. Niet gemakkelijk, dat begrijpt u. Bijzonder kwetsend. Maar ik heb er mee leren leven, tenslotte piepen die pesters wel anders als ik plots weer voor hen sta. Het zou niet de eerste keer zijn." Hein verzonk even in een aangename mijmering.
"Later heb ik die naam maar gewoon gehouden. Om te laten zien dat het mij niet kan schelen. Maar goed, dat is niet waarvoor ik hier ben." Hein stond recht en kwam dichter bij de man die plots berusting in zijn blik had.

Toen pakte hij de zeis op van de grond, legde troostend zijn hand op de schouder van zijn klant, keek naar het frêle koord dat zich vanuit de navel van de man naar een oneindig boven kronkelde en haalde uit. Het koord knapte en de man sloot zijn ogen.

De gsm rinkelde weer. "Met Hein, afdeling Benelux. Jaja, Magere Hein, wie anders?"